• 900x270pixels-1
  • 900x270pixels-2
  • 900x270pixels-4
1 2 3
 

Tot behoud van heffing

Bron: 03-09-2018
Een bv had ondanks aanmaningen over het jaar 2010 geen aangifte Vpb ingediend. De aanslag Vpb 2002 werd in december 2013 vastgesteld op € 1.796.703. In die aanslag werd rekening gehouden met de vrijval van een vervangingsreserve uit 1998. De bv stelde zich op het standpunt dat er in 2002 sprake was van een begin van uitvoering zodat geen sprake was van vrijval. De inspecteur besloot voor de zekerheid de vrijval van de vervangingsreserve ook in de aanslag Vpb 2010, die in februari 2014 werd opgelegd, op te nemen om dat hij van mening was dat de vervangingsreserve in 2002 had moeten vrijvallen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant wees in 2015 het beroep van de bv tegen de aanslag Vpb 2002 af en nam een belaste vrijval van de vervangingsreserve van € 1.780.635 in aanmerking. De bv was het niet eens met de aanslag Vpb 2010 en diende in 2017 alsnog een aangifte Vpb 2010 waarin een verlies van € 17.131 werd aangegeven en tekende vervolgens beroep aan tegen de door de inspecteur vastgestelde aanslag. Voor Rechtbank Den Haag zijn partijen het erover eens dat de stand van de HIR per 31 december 2001 € 1.688.518 bedraagt. De bv maakt niet aannemelijk dat er in 2002 een voornemen tot herinvestering was. Omdat er in 2010 ook geen voornemen tot herinvestering was voor een in 2008 gevormde herinvesteringsreserve is, vindt er in 2010 belaste vrijval van de HIR plaats. Rekening houdende met de eerder door Rechtbank Zeeland-West-Brabant vastgestelde belaste vrijval komt het belastbare bedrag uit op € 276.750. De verzuimboete wordt verminderd vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Ook krijgt de bv een immateriële schadevergoeding van € 2.500 omdat er vier jaar en vier maanden zijn verstreken sinds het bezwaarschrift is ingediend terwijl twee jaar als redelijk wordt beschouwd.
Bron: Rb. Den Haag 05-07-2018